Hoofdorgel Het hoofdorgel is gebouwd door Van Leeuwen (1955) in de bestaande kassen van A. Meere. De kas dateert van 1803. Aan het oorspronkelijk orgel van Meere, met twee manualen en geen pedaal, werkten achtereenvolgens Fr. Leichel & Zoon (1907) en J.C. Sanders & Zn. (1914). De dispositie onderging daarbij vele wijziging. Het orgel werd daarbij vergroot en kreeg tot tweemaal toe een nieuwe speeltafel. Na de kerkrestauratie in 1949-1955, waarbij tevens het orgel werd verplaatst naar de torenwand, bouwde Willem van Leeuwen in 1956 een nieuw orgel in de bestaande orgelkas. Het rugpositief, dat tot dan toe loos was, werd toen van een kas voorzien en er werd ruimte gereseveerd voor een borstwerk. De klaviatuur werd ingericht op een drieklavierssituatie. Bij een toekomstige restauratie worden mogelijk de reserveringen alsnog gerealiseerd. De dispositie van het instrument luidt: Hoofdwerk | Rugwerk | | Spitsgedekt 16 | Holpijp 8’ | | Prestant 8 | Quintadeen 8 | | Roerfluit 8 | Prestant 4 | | Spitsgamba 8 | Speelfluit 4 | | Octaaf 4 | Octaaf 2 | | Nachthoorn 4 | Woudfluit 2 | | Quint 2 2/3 | Quint 1 1/3 | | Octaaf 2 | Scherp 4 st. 1 | | Mixtuur 6-8 | Sesquialtera 3 st. | | Trompet 8 | Dulciaan 8 | | (dulciaan 16 en cimbel gereserveerd) | Tremulant | Pedaal | Koppelingen | | Subbas 16 | RW-HW | | Bazuin 16 | HW-Ped | | Prestant 8 | RW-Ped | | Ruispijp 2 2/3 | | | Octaaf 4 | Mech. tractuur | | Cornet 4 | |  Hoofdorgel van de Grote Kerk
|